Mateo Flecha - La justa
|
Engelstalige vertaling
|
| ||||||
RIDDERTOERNOOIEN EN STEEKSPELEN
uit het tijdschrift Historia door Door Niels-Peter Granzow Busch | Gepubliceerd op 15.12.24
Anno 1062 besefte de Franse ridder Godfried van Preuilly plotsklaps dat riddertoernooien misschien wel spannend waren als sport, maar toch ook dodelijk.
Zijn deelname aan het jaarlijkse steekspel even buiten het Franse Tours werd namelijk zijn laatste. Hoe Godfried precies omkwam, is niet bekend, maar één ding staat was: het ging er bloedig aan toe.
Godfried van Preuilly was niet de eerste, en al helemaal niet de laatste ridder die het loodje legde bij de lansgevechten tussen de ridders van Europa.
Maar hij was volgens middeleeuwse bronnen wel de eerste die een aantal regels opstelde voor de sport die hem uiteindelijk de das om zou doen.
Voor Godfried en duizenden andere ridders viel de kans op dood of verminking in het niet bij het plezier mee te kunnen doen aan toernooien.
De extreme sport van de middeleeuwen was zo populair dat koningen en de paus in hoogsteigen persoon er een stokje voor probeerden te steken.
Maar dat was volkomen vergeefs.
Toernooiregels
Stoot je de tegenstander van zijn paard of versplintert je lans op hem, dan krijg je punten.
Een ridder die de helmpluim van zijn tegenstander raakt, krijgt een extra beloning.
Als een ridder op zijn knieën valt of met zijn hand moet steunen, wordt dat bestraft.
Als de scheidsrechter zijn witte staf in het krijt gooit, dan is de strijd afgelopen.
Franse ridders voerden in de tweede helft van de 11e eeuw een nieuwe vorm van vechttechniek in op de bloedige slagvelden van die tijd.
De ridders te paard werden nu uitgerust met een zware lans in de rechterhand en konden zo vijandelijke ridders van hun paard stoten zonder zelf hun wapen te verliezen.
Een massale aanval van een dichte rij lansridders was vrijwel niet te keren en ‘zou zelfs een bres kunnen slaan in Babylons muren’, zoals een bron uit die tijd het verwoordde.
Destijds was Europa een lappendeken van koninkrijkjes en vorstendommen, die bijna continu met elkaar in oorlog waren. De voornaamste plicht van een ridder was het leiden van een leger.
Van kinds af aan werden edelen geoefend in wapengebruik, want het kon gebeuren dat ze al voor hun 15e jaar ten strijde moesten trekken.
‘Als de slag begint, denken mannen van goede komaf alleen maar aan doodmaken’
Ridder Bertrand de Borne over gevechtenOndanks de verschrikkingen en gevaren van de oorlog zouden vele ridders van de strijd gaan houden.
Zoals de jonge Franse ridder Bertrand de Borne eind 12e eeuw schreef:
‘Als de slag begint, denken mannen van goede komaf alleen maar aan doodmaken. Niets verrukt mij meer dan de strijdkreet “Ten aanval!” of de aanblik van pas gesneuvelden met de stompjes lans met wimpelflarden nog in hun zij.’
Met hun lans en oorlogservaring was het voor ridders een kleine stap om deel te nemen aan toernooien.
Riddertoernooien waren eerst vooral een voortzetting van de duels op het slagveld. De acties konden moeilijk sport genoemd worden, het waren eerder oefeningen in oorlogvoering.
Aanvankelijk was het zo dat twee groepen ridders – soms wel honderden – een ontmoetingsplek afspraken, waar ze zich allemaal op een gegeven tijdstip, in een mêlee van paarden, mannen en lansen, op elkaar stortten.
De strijd werd voortgezet met zwaard en knots. Er was nauwelijks verschil in uitrusting op het slagveld of in een toernooi.
Op sommige toernooien uit de begintijd bracht één ridder wel duizenden voetknechten mee, die eveneens aan de zijde van hun heer meevochten.
Om te winnen moest ieder team goed samenwerken, zodat de vijandelijke linies doorbroken konden worden, waarna de man-tot-mangevechten konden beginnen.
Winnaar van het toernooi was het team dat ofwel het slagveld veroverde, ofwel de meeste gevangenen maakte. Vooral dat laatste was erg belangrijk, want de winnaars konden voor elke gevangen ridder losgeld eisen – vaak in de vorm van paarden.
Deze waren zo kostbaar dat arme ridders al na een paar succesvolle gevechten welgesteld waren, terwijl rijke ridders na enkele verloren toernooien berooid uit hun huis gezet konden worden.
De enorme gevechten tussen grote groepen ridders gingen soms ten koste van de arme boeren, wier korenvelden en wijngaarden door honderden paarden en voetvolk werden vertrapt – zonder schadeloosstelling.
Soms maakten ridders zelfs gebruik van de chaos om doodleuk boeren te beroven. Zíj maakten immers deel uit van de heersende stand, waartegen boeren niets in te brengen hadden.
Toernooiregels waren er in het begin nauwelijks. Het was een gevecht van iedereen tegen iedereen. Eén man kon in het heetst van de strijd aangevallen worden door vier à vijf andere ridders, die samen afgesproken hadden hem gevangen te nemen en het losgeld te delen.
Het ging vaak om grote bedragen, waardoor sommige ridders zich wat minder ridderlijk gingen gedragen.
Zo stond de Vlaamse graaf Filips van de Elzas erom bekend zijn mannen achter te houden tot alle anderen na uren vechten doodop waren – waarna hij vlak voor de afloop met zijn mannen het veld op reed en zo veel tegenstanders gevangennam als hij maar kon.
De gevechten waren uiterst bloedig, al was het niet de bedoeling dat de ridders elkaar afmaakten. Toch gebeurde dat vaak wel.
Bronnen uit die tijd reppen van vele doden tijdens toernooien, en van zwaar lichamelijk letsel dat de getroffene nooit te boven kwam.
Het vergde een goed inschattingsvermogen en veel kracht om aan een toernooi te kunnen meedoen. Daarom doorliepen de ridders jarenlang een zwaar oefenprogramma, waarin ook zandzakken een rol speelden.
Al die toernooien en lansgevechten eisten dat er continu geoefend werd. Alleen al het vasthouden van een eikenhouten lans tijdens een wilde galop vergde veel kracht, terwijl ook snelheid geboden was.
Die snelheid werd geoefend met een quintain. Dit oefentoestel bestond uit een houten mast met een draaiarm in de top. Aan het ene uiteinde zat een schild, aan het andere hing een zandzak.
De lansvechter reed in volle vaart met zijn lans op de quintain af en probeerde het schild met zijn lans te raken. Als hij niet vlug genoeg was, kreeg hij de draaiende zandzak met het volle gewicht tegen zich aan.
Ridders moesten ook heel goed kunnen mikken. Die vaardigheid werd geoefend met ringsteken, waarbij ze in volle galop met hun lans een ringetje moesten doorsteken.
Verder werd er verplicht in zwaardvechten en boogschieten getraind.
Vooral lansstoten en zwaardhouwen tegen het hoofd waren gevaarlijk, al droegen de ridders een helm. William Marshall, een van de vurigste Engelse toernooitijgers van de 12e eeuw, was tijdens een toernooi plotseling zoek.
Toen zijn vrienden hem gingen zoeken, vonden ze hem op zijn knieën met zijn hoofd op het aambeeld van de dorpssmid. Zijn helm was zo gebutst dat hij klem zat en pas los kwam nadat de deuken er weer uit waren geslagen.
‘De smid was met zijn hamers en tangen bezig zijn helm eraf te krijgen,’ staat in een middeleeuws gedicht.
Het verhaal bracht Marshall nog meer roem, want het werd gezien als bewijs dat hij in het heetst van de strijd had meegevochten.
Een ander gevaar was om ondanks de maliënkolder door de spitse lansen doorboord te worden. Dat gebeurde vrij vaak in de vroegste toernooien, als bijvoorbeeld de lans niet vakkundig werd afgeweerd met het schild, afgleed en recht in het lijf terechtkwam.
In de 13e eeuw werd daar wat op gevonden door de invoering van de stompe lans. Die liep uit op een ‘kroon’ van ijzer met drie of vier ijzeren punten, die de stoot wat gelijkelijker over het lichaam verdeelde.
Ridders hadden nu de keuze om au plaisance te vechten: met stompe lansen en zwaarden. Of ze konden meedoen aan een au outrance-toernooi, vaak in oorlogstijd, met scherpe wapens, waarbij doden vielen.
Maar ook met stompe wapens liepen ridders wel degelijk kans om te worden verwond of gedood. En tijdens een toernooi in Neuss in 1241 kwamen 60 tot 80 ridders om van de hitte.
De populariteit van steekspelen breidde zich vanuit Frankrijk, het land van oorsprong, snel uit naar omliggende landen, vooral in het noorden.
En al gauw namen bijna alle ridders deel aan toernooien, die zich allengs ontwikkelden tot een echte sport, met vaste regels, scheidsrechters en fans.
Maar de vele doden en gewonden die deze gewelddadige sport met zich mee bracht, zaten de kerk niet lekker. Dat christelijke ridders elkaar bij wijze van sport afmaakten, wekte afschuw.
De paus vond dat de ridders hun krachten beter konden botvieren op vijanden van het christendom, de Saracenen in het Heilige Land. Een kruistocht was heel wat zinniger dan steekspelen.
Paus Innocentius II in 1130. In 1130 verbood de kerk daarom alle toernooien.
‘Wij verbieden deze afschuwelijke markten, waar ridders samenkomen om hun kracht en moed te tonen,’ maakte paus Innocentius II bekend. Ridders die sneuvelden op toernooien, kregen geen christelijke begrafenis meer.
Zelfs ridders die echt op kruistocht waren, waren toen echter al besmet met het toernooivirus. Ze hielden tot ergernis van de paus hun eigen toernooien, midden in het land van de vijand.
De drie volgende pausen herhaalden het verbod, maar niemand trok zich er iets van aan. De toernooisport had onherroepelijk postgevat in de hoofden van de ridders, en zelfs dreigementen van verbanning uit de kerk en weigering van een gewijde begrafenis hielpen niet.
De toernooien werden steeds vaker gehouden. Er zouden 200 jaar verstrijken voor de toenmalige paus in 1316 eindelijk besloot het nutteloze verbod in te trekken.
Ook veel koningen waren ertegen, vaak uit angst voor de grote menigten die zich tijdens een toernooi verzamelden.
Met zo veel volk op de been, was een oproer zo uitgebroken. Maar de toernooien bezorgden koningen ook om andere redenen hoofdbrekens.
Naarmate riddertoernooien steeds geavanceerder werden, steeg ook de prijs van de speciaal getrainde paarden van de ridders.
Toernooipaarden werden zorgvuldig uitgekozen en gewoonlijk in een jaar tijd klaargestoomd voor hun taak.
Ze konden op hun achterbenen in de richting springen die de ruiter aangaf, en op bevel naar voren of naar achteren trappen.
Die gedegen training maakte de paarden nog duurder, en het verlies van één paard kon zelfs zeer welgestelden al te gronde richten.
Om de kostbare dieren voor een dodelijke botsing in het krijt te behoeden werd een hek tussen de tegenstanders geplaatst.
Het grootste probleem was dat er geen ridder te vinden was als de koning hulp nodig had tegen de vijand.
Zo kon het gebeuren dat Ranulf, graaf van Chester, er met slechts drie man in slaagde Lincoln Castle in te nemen, omdat de bezetting van het slot druk bezig was op een teamtoernooi elders.
Enkele koningen, zoals die van Engeland, verboden de toernooien, maar daardoor weken bijvoorbeeld Engelse ridders noodgedwongen uit naar toernooien in andere landen, zoals Frankrijk.
De vorsten zagen uiteindelijk in dat alle pogingen tot verbieden zinloos waren. Koningen werden zelf verwoede toernooivechters in deze populaire sport, die zich gaandeweg begon te ontwikkelen.
In de tweede helft van de 13e eeuw kwam er vanuit Engeland een nieuwe tak van riddersport in zwang, jousting.Het was een individueel lansgevecht, waar maar twee ridders per keer tegen elkaar streden.
De twee begonnen met in volle galop op elkaar in te rijden in de hoop de tegenstander met de lans uit het zadel te wippen of de lans op die plekken van de tegenstander te laten versplinteren dat je er punten voor kreeg. Na een bepaald aantal lansgevechten kon de tweekamp met het zwaard voortgezet worden.
Jousting werd al snel erg geliefd en ook in onze tijd zien we het als dé toernooivorm.
De duels vereisten meer technisch kunnen, dus de eigen vaardigheden als ruiter en strijder kwamen beter uit de verf dan in een groepsgevecht.
Jousting had veel meer regels en puntentellingsystemen dan de oude steekspelen met vele vechtende ridders tegelijk.
Ook kregen de toernooien een vaste plaats met tribunes voor de scheidsrechters en voor bijzonder belangrijke toeschouwers, adellijke vrouwen, vorsten en koningen. Koningen en edelen bestelden gewoon een toernooi als er iets gevierd moest worden.
De nieuwe toernooivorm was minder gevaarlijk en veel beter gereguleerd, maar er gebeurden nog steeds grote ongelukken. Vooral de dreun van de lans op de helm van de ridder was gevaarlijk, want splinters van de lans konden zich door de oogspleten van de helm heen in de ogen en het gezicht boren.
Ook botsten de paarden van de ridders in het heetst van de strijd soms op elkaar. De nieuwe sport vereiste daarom anders getrainde paarden, die nog duurder in aanschaf waren.
In de loop der tijd kwam men op het idee om een middenschutting aan te leggen, zodat botsingen van de paarden tot het verleden behoorden. Aan weerszijden galoppeerden nu de strijdenden, die elkaar wel met de lans konden treffen.
Jousting zette een enorme ontwikkeling van speciale ridderuitrusting in gang. In de dagen van de vroege toernooien droegen de ridders meestal alleen een maliënkolder, bestaande uit tienduizenden aan elkaar geklonken ringetjes.
Die ringetjes beschermden goed bij de vroegere vechtwijze, maar belangrijker was dat de ridders zich er betrekkelijk vrij in konden bewegen.
Maar bij jousting, waarbij de ridders verscheidene lansstoten met daarachter het volle gewicht van paard, ruiter en uitrusting te verduren kregen, was meer bescherming nodig.
De wapenrusting varieerde van maliënkolder tot platenharnas dat het hele lijf en gezicht bedekte, zonder alle bewegingsvrijheid weg te nemen. Ook de paarden werden bepantserd. Al met al een heel gewicht.
Tijdens de latere toernooien werden de ridders van top tot teen beschermd.
Hun harnas was vaak speciaal gemaakt voor de heftige toernooien en woog meestal meer dan de gewone uitrusting voor het slagveld. Een harnas kon wel 40 kilo wegen, en alleen al de helm woog 8 tot 10 kilo.
Ondanks die uitrusting konden ze zich redelijk bewegen. Alle delen ervan waren maatwerk en sloten prachtig aan op het lichaam eronder.
Om de ridder zo goed mogelijk te kunnen beschermen moesten de wapensmeden helmen maken met zo klein mogelijke oogopeningen.
Bij sommige modellen kon je alleen maar naar buiten kijken als je naar beneden keek. Die houding van het hoofd was de beste in de korte tijd dat de ridder op zijn tegenstander af reed.
Ook de paarden werden mettertijd beter beschermd. Hun uitrusting varieerde flink in gewicht, maar met een ridder in volle wapenrusting op zijn rug vormde een paard (zo’n 500 kilo) een oorlogsmachine van minstens 650 kilo achter de lansspies, met een vaart van soms wel 50 km/h.
Daarom raakte het nu in zwang om over de maliënkolder heen ook een harnas van dikke, ijzeren platen te dragen, wat het gewicht van de ridder aanzienlijk verhoogde en zijn bewegingsvrijheid inperkte.
Het extra gewicht was in die zin gunstig dat de aanvalskracht er mee toenam. Maar het paard kon niet zo snel bewegen als anders. De hitte was voor zowel de ridder als het paard bij tijd en wijle niet te harden, als ze urenlang in de blakerende zon bezig waren.
Voor jousting moesten ook de paarden beter beschermd worden. Veel paarden lieten tijdens de toernooien het leven, als een ridder ondanks de middenschutting per ongeluk met zijn lans het paard van de tegenstander raakte.
De Duitse ridder Ulrich von Liechtenstein beschreef in de eerste helft van de 13e eeuw geërgerd hoe een ridder tien keer achtereen miste met zijn lans:
‘Toen we de laatste ronde reden, miste hij opnieuw, maar raakte hij mijn paard in het hoofd.’
Ook de rest van de uitrusting werd nu uitgebreider. De helm kreeg allerlei toeters en bellen om er angstaanjagender uit te zien. In de uitrusting van paard en ruiter werden ook de kleuren verwerkt die de ridder uitgekozen had.
Naarmate de uitrusting ingewikkelder werd, konden minder ridders zich deelname aan een toernooi veroorloven. De sport werd steeds elitairder, alleen de rijkste ridders konden op den duur nog meedoen.
De toernooien trokken ontzaglijk veel bekijks. Vooral adellijke dames maakten er een gewoonte van om te gaan kijken naar de strijd tussen schijnbaar onbevreesde ridders.
Bij één toernooi, in 1331 in Engeland, kwamen zo veel mensen kijken dat de tribune waar de vrouwen verzameld waren onder luid gekraak bezweek onder hun gewicht. De ridders voelden steeds meer vrouwenogen op zich gericht, en daar wilden ze iets mee doen.
Ze kozen een dame uit, vroegen toestemming haar kleuren te mogen voeren in de strijd en ontvingen graag uit haar handen de zegekrans.
Of de ridder haar van nabij of alleen op afstand kende, of een oogje op haar had, was van minder belang: het ging om het gebaar.
De inspiratie voor de hoofsheid van de ridders kwam uit de destijds populaire ridderromans over met name koning Arthur en de ridders van de ronde tafel.
In een toernooi kwam alles samen waar het ridderschap voor stond: moed, strijdvaardigheid, kracht, hoofsheid, en niet in het minst, verheven liefde voor schone jonkvrouwen.
De verkleedpartijen werden steeds gekker. Bronnen uit de 14e eeuw vermelden ridders die gekleed gingen als koning Arthur, sir Galahad of een van de andere beroemde ridders van koning Arthur, terwijl anderen zich als vrouw verkleedden.
In 1343 hield de Engelse ridder Robert Morley een toernooi waarin hijzelf als paus was uitgedost en zijn twaalf beste ridders als kardinalen.
Het anders zo serieuze toernooi begon zo meer op een absurd toneelstuk te lijken dan op de krijgsoefening die het van oorsprong was.
Deze ontwikkeling hing onder meer samen met het tanende belang van ridders en hun lansen op de slagvelden van die tijd.
In de 14e eeuw had het voetvolk van het leger steeds meer technieken ontwikkeld waarmee het de eens onoverwinnelijke ridders kon aftroeven. Dat gebeurde tijdens de Honderdjarige Oorlog in de veldslagen van Crécy en Poitiers tussen de Franse en de Engelse troepen midden 14e eeuw, en vooral bij de Slag bij Azincourt in 1415.
Hier schoten Engelse boogschutters te voet de Franse ridders van hun paard. De toernooien werden daarmee een van de laatst overgebleven plekken waar ridders konden tonen wat ze waard waren.
Naarmate de ridders voor een oorlog steeds minder van belang werden, nam het betekenisloze gebruik van pracht en praal in toernooien toe. Zo werden de sportactiviteiten uiteindelijk een vorm van uitbundig theater.
De riddertoernooien bleven echter mateloos populair tot het midden van de 16e eeuw. Inmiddels hadden bijna alleen de koningen van Europa nog de middelen om ze te organiseren. Doorgaans werd er ook een reusachtig banket aan vastgeknoopt.
Hoewel de harnassen en de overige bescherming steeds doelmatiger werden, bleven de toernooien zeer gevaarlijk. In maart 1524 scheelde het maar een haartje of de hertog van Suffolk had de Engelse koning Hendrik VIII tijdens een toernooi omgebracht, toen zijn lans de helm van de koning trof.
Het vizier klapte omhoog en de helm vulde zich met lanssplinters. Gelukkig bleef de koning vrijwel ongedeerd. Koning Hendrik II van Frankrijk had in 1559 minder geluk toen hij de bruiloft van zijn dochter vierde met een toernooi.
Hij wilde per se nog één ronde vechten. Zijn tegenstander versplinterde zijn lans op het harnas van de koning. Een splinter vloog door het vizier en verwondde de vorst dodelijk.
Na dit ongeluk zou deze ooit zo geliefde extreme sport nooit meer worden wat hij was geweest, en werden toernooien zeldzaam. Slappe aftreksels van de toernooien werden her en der in Europa nog wel gehouden, tot in de 18e eeuw.
In de 19e eeuw trachtten adellijke ridderfans het edele steekspel weer nieuw leven in te blazen, maar tevergeefs. Echte riddertoernooien waren voorgoed verleden tijd.
(verzameld door Marjolijn)
Zijn deelname aan het jaarlijkse steekspel even buiten het Franse Tours werd namelijk zijn laatste. Hoe Godfried precies omkwam, is niet bekend, maar één ding staat was: het ging er bloedig aan toe.
Godfried van Preuilly was niet de eerste, en al helemaal niet de laatste ridder die het loodje legde bij de lansgevechten tussen de ridders van Europa.
Maar hij was volgens middeleeuwse bronnen wel de eerste die een aantal regels opstelde voor de sport die hem uiteindelijk de das om zou doen.
Voor Godfried en duizenden andere ridders viel de kans op dood of verminking in het niet bij het plezier mee te kunnen doen aan toernooien.
De extreme sport van de middeleeuwen was zo populair dat koningen en de paus in hoogsteigen persoon er een stokje voor probeerden te steken.
Maar dat was volkomen vergeefs.
Toernooiregels
Stoot je de tegenstander van zijn paard of versplintert je lans op hem, dan krijg je punten.
Een ridder die de helmpluim van zijn tegenstander raakt, krijgt een extra beloning.
Als een ridder op zijn knieën valt of met zijn hand moet steunen, wordt dat bestraft.
Als de scheidsrechter zijn witte staf in het krijt gooit, dan is de strijd afgelopen.
Franse ridders voerden in de tweede helft van de 11e eeuw een nieuwe vorm van vechttechniek in op de bloedige slagvelden van die tijd.
De ridders te paard werden nu uitgerust met een zware lans in de rechterhand en konden zo vijandelijke ridders van hun paard stoten zonder zelf hun wapen te verliezen.
Een massale aanval van een dichte rij lansridders was vrijwel niet te keren en ‘zou zelfs een bres kunnen slaan in Babylons muren’, zoals een bron uit die tijd het verwoordde.
Destijds was Europa een lappendeken van koninkrijkjes en vorstendommen, die bijna continu met elkaar in oorlog waren. De voornaamste plicht van een ridder was het leiden van een leger.
Van kinds af aan werden edelen geoefend in wapengebruik, want het kon gebeuren dat ze al voor hun 15e jaar ten strijde moesten trekken.
‘Als de slag begint, denken mannen van goede komaf alleen maar aan doodmaken’
Ridder Bertrand de Borne over gevechtenOndanks de verschrikkingen en gevaren van de oorlog zouden vele ridders van de strijd gaan houden.
Zoals de jonge Franse ridder Bertrand de Borne eind 12e eeuw schreef:
‘Als de slag begint, denken mannen van goede komaf alleen maar aan doodmaken. Niets verrukt mij meer dan de strijdkreet “Ten aanval!” of de aanblik van pas gesneuvelden met de stompjes lans met wimpelflarden nog in hun zij.’
Met hun lans en oorlogservaring was het voor ridders een kleine stap om deel te nemen aan toernooien.
Riddertoernooien waren eerst vooral een voortzetting van de duels op het slagveld. De acties konden moeilijk sport genoemd worden, het waren eerder oefeningen in oorlogvoering.
Aanvankelijk was het zo dat twee groepen ridders – soms wel honderden – een ontmoetingsplek afspraken, waar ze zich allemaal op een gegeven tijdstip, in een mêlee van paarden, mannen en lansen, op elkaar stortten.
De strijd werd voortgezet met zwaard en knots. Er was nauwelijks verschil in uitrusting op het slagveld of in een toernooi.
Op sommige toernooien uit de begintijd bracht één ridder wel duizenden voetknechten mee, die eveneens aan de zijde van hun heer meevochten.
Om te winnen moest ieder team goed samenwerken, zodat de vijandelijke linies doorbroken konden worden, waarna de man-tot-mangevechten konden beginnen.
Winnaar van het toernooi was het team dat ofwel het slagveld veroverde, ofwel de meeste gevangenen maakte. Vooral dat laatste was erg belangrijk, want de winnaars konden voor elke gevangen ridder losgeld eisen – vaak in de vorm van paarden.
Deze waren zo kostbaar dat arme ridders al na een paar succesvolle gevechten welgesteld waren, terwijl rijke ridders na enkele verloren toernooien berooid uit hun huis gezet konden worden.
De enorme gevechten tussen grote groepen ridders gingen soms ten koste van de arme boeren, wier korenvelden en wijngaarden door honderden paarden en voetvolk werden vertrapt – zonder schadeloosstelling.
Soms maakten ridders zelfs gebruik van de chaos om doodleuk boeren te beroven. Zíj maakten immers deel uit van de heersende stand, waartegen boeren niets in te brengen hadden.
Toernooiregels waren er in het begin nauwelijks. Het was een gevecht van iedereen tegen iedereen. Eén man kon in het heetst van de strijd aangevallen worden door vier à vijf andere ridders, die samen afgesproken hadden hem gevangen te nemen en het losgeld te delen.
Het ging vaak om grote bedragen, waardoor sommige ridders zich wat minder ridderlijk gingen gedragen.
Zo stond de Vlaamse graaf Filips van de Elzas erom bekend zijn mannen achter te houden tot alle anderen na uren vechten doodop waren – waarna hij vlak voor de afloop met zijn mannen het veld op reed en zo veel tegenstanders gevangennam als hij maar kon.
De gevechten waren uiterst bloedig, al was het niet de bedoeling dat de ridders elkaar afmaakten. Toch gebeurde dat vaak wel.
Bronnen uit die tijd reppen van vele doden tijdens toernooien, en van zwaar lichamelijk letsel dat de getroffene nooit te boven kwam.
Het vergde een goed inschattingsvermogen en veel kracht om aan een toernooi te kunnen meedoen. Daarom doorliepen de ridders jarenlang een zwaar oefenprogramma, waarin ook zandzakken een rol speelden.
Al die toernooien en lansgevechten eisten dat er continu geoefend werd. Alleen al het vasthouden van een eikenhouten lans tijdens een wilde galop vergde veel kracht, terwijl ook snelheid geboden was.
Die snelheid werd geoefend met een quintain. Dit oefentoestel bestond uit een houten mast met een draaiarm in de top. Aan het ene uiteinde zat een schild, aan het andere hing een zandzak.
De lansvechter reed in volle vaart met zijn lans op de quintain af en probeerde het schild met zijn lans te raken. Als hij niet vlug genoeg was, kreeg hij de draaiende zandzak met het volle gewicht tegen zich aan.
Ridders moesten ook heel goed kunnen mikken. Die vaardigheid werd geoefend met ringsteken, waarbij ze in volle galop met hun lans een ringetje moesten doorsteken.
Verder werd er verplicht in zwaardvechten en boogschieten getraind.
Vooral lansstoten en zwaardhouwen tegen het hoofd waren gevaarlijk, al droegen de ridders een helm. William Marshall, een van de vurigste Engelse toernooitijgers van de 12e eeuw, was tijdens een toernooi plotseling zoek.
Toen zijn vrienden hem gingen zoeken, vonden ze hem op zijn knieën met zijn hoofd op het aambeeld van de dorpssmid. Zijn helm was zo gebutst dat hij klem zat en pas los kwam nadat de deuken er weer uit waren geslagen.
‘De smid was met zijn hamers en tangen bezig zijn helm eraf te krijgen,’ staat in een middeleeuws gedicht.
Het verhaal bracht Marshall nog meer roem, want het werd gezien als bewijs dat hij in het heetst van de strijd had meegevochten.
Een ander gevaar was om ondanks de maliënkolder door de spitse lansen doorboord te worden. Dat gebeurde vrij vaak in de vroegste toernooien, als bijvoorbeeld de lans niet vakkundig werd afgeweerd met het schild, afgleed en recht in het lijf terechtkwam.
In de 13e eeuw werd daar wat op gevonden door de invoering van de stompe lans. Die liep uit op een ‘kroon’ van ijzer met drie of vier ijzeren punten, die de stoot wat gelijkelijker over het lichaam verdeelde.
Ridders hadden nu de keuze om au plaisance te vechten: met stompe lansen en zwaarden. Of ze konden meedoen aan een au outrance-toernooi, vaak in oorlogstijd, met scherpe wapens, waarbij doden vielen.
Maar ook met stompe wapens liepen ridders wel degelijk kans om te worden verwond of gedood. En tijdens een toernooi in Neuss in 1241 kwamen 60 tot 80 ridders om van de hitte.
De populariteit van steekspelen breidde zich vanuit Frankrijk, het land van oorsprong, snel uit naar omliggende landen, vooral in het noorden.
En al gauw namen bijna alle ridders deel aan toernooien, die zich allengs ontwikkelden tot een echte sport, met vaste regels, scheidsrechters en fans.
Maar de vele doden en gewonden die deze gewelddadige sport met zich mee bracht, zaten de kerk niet lekker. Dat christelijke ridders elkaar bij wijze van sport afmaakten, wekte afschuw.
De paus vond dat de ridders hun krachten beter konden botvieren op vijanden van het christendom, de Saracenen in het Heilige Land. Een kruistocht was heel wat zinniger dan steekspelen.
Paus Innocentius II in 1130. In 1130 verbood de kerk daarom alle toernooien.
‘Wij verbieden deze afschuwelijke markten, waar ridders samenkomen om hun kracht en moed te tonen,’ maakte paus Innocentius II bekend. Ridders die sneuvelden op toernooien, kregen geen christelijke begrafenis meer.
Zelfs ridders die echt op kruistocht waren, waren toen echter al besmet met het toernooivirus. Ze hielden tot ergernis van de paus hun eigen toernooien, midden in het land van de vijand.
De drie volgende pausen herhaalden het verbod, maar niemand trok zich er iets van aan. De toernooisport had onherroepelijk postgevat in de hoofden van de ridders, en zelfs dreigementen van verbanning uit de kerk en weigering van een gewijde begrafenis hielpen niet.
De toernooien werden steeds vaker gehouden. Er zouden 200 jaar verstrijken voor de toenmalige paus in 1316 eindelijk besloot het nutteloze verbod in te trekken.
Ook veel koningen waren ertegen, vaak uit angst voor de grote menigten die zich tijdens een toernooi verzamelden.
Met zo veel volk op de been, was een oproer zo uitgebroken. Maar de toernooien bezorgden koningen ook om andere redenen hoofdbrekens.
Naarmate riddertoernooien steeds geavanceerder werden, steeg ook de prijs van de speciaal getrainde paarden van de ridders.
Toernooipaarden werden zorgvuldig uitgekozen en gewoonlijk in een jaar tijd klaargestoomd voor hun taak.
Ze konden op hun achterbenen in de richting springen die de ruiter aangaf, en op bevel naar voren of naar achteren trappen.
Die gedegen training maakte de paarden nog duurder, en het verlies van één paard kon zelfs zeer welgestelden al te gronde richten.
Om de kostbare dieren voor een dodelijke botsing in het krijt te behoeden werd een hek tussen de tegenstanders geplaatst.
Het grootste probleem was dat er geen ridder te vinden was als de koning hulp nodig had tegen de vijand.
Zo kon het gebeuren dat Ranulf, graaf van Chester, er met slechts drie man in slaagde Lincoln Castle in te nemen, omdat de bezetting van het slot druk bezig was op een teamtoernooi elders.
Enkele koningen, zoals die van Engeland, verboden de toernooien, maar daardoor weken bijvoorbeeld Engelse ridders noodgedwongen uit naar toernooien in andere landen, zoals Frankrijk.
De vorsten zagen uiteindelijk in dat alle pogingen tot verbieden zinloos waren. Koningen werden zelf verwoede toernooivechters in deze populaire sport, die zich gaandeweg begon te ontwikkelen.
In de tweede helft van de 13e eeuw kwam er vanuit Engeland een nieuwe tak van riddersport in zwang, jousting.Het was een individueel lansgevecht, waar maar twee ridders per keer tegen elkaar streden.
De twee begonnen met in volle galop op elkaar in te rijden in de hoop de tegenstander met de lans uit het zadel te wippen of de lans op die plekken van de tegenstander te laten versplinteren dat je er punten voor kreeg. Na een bepaald aantal lansgevechten kon de tweekamp met het zwaard voortgezet worden.
Jousting werd al snel erg geliefd en ook in onze tijd zien we het als dé toernooivorm.
De duels vereisten meer technisch kunnen, dus de eigen vaardigheden als ruiter en strijder kwamen beter uit de verf dan in een groepsgevecht.
Jousting had veel meer regels en puntentellingsystemen dan de oude steekspelen met vele vechtende ridders tegelijk.
Ook kregen de toernooien een vaste plaats met tribunes voor de scheidsrechters en voor bijzonder belangrijke toeschouwers, adellijke vrouwen, vorsten en koningen. Koningen en edelen bestelden gewoon een toernooi als er iets gevierd moest worden.
De nieuwe toernooivorm was minder gevaarlijk en veel beter gereguleerd, maar er gebeurden nog steeds grote ongelukken. Vooral de dreun van de lans op de helm van de ridder was gevaarlijk, want splinters van de lans konden zich door de oogspleten van de helm heen in de ogen en het gezicht boren.
Ook botsten de paarden van de ridders in het heetst van de strijd soms op elkaar. De nieuwe sport vereiste daarom anders getrainde paarden, die nog duurder in aanschaf waren.
In de loop der tijd kwam men op het idee om een middenschutting aan te leggen, zodat botsingen van de paarden tot het verleden behoorden. Aan weerszijden galoppeerden nu de strijdenden, die elkaar wel met de lans konden treffen.
Jousting zette een enorme ontwikkeling van speciale ridderuitrusting in gang. In de dagen van de vroege toernooien droegen de ridders meestal alleen een maliënkolder, bestaande uit tienduizenden aan elkaar geklonken ringetjes.
Die ringetjes beschermden goed bij de vroegere vechtwijze, maar belangrijker was dat de ridders zich er betrekkelijk vrij in konden bewegen.
Maar bij jousting, waarbij de ridders verscheidene lansstoten met daarachter het volle gewicht van paard, ruiter en uitrusting te verduren kregen, was meer bescherming nodig.
De wapenrusting varieerde van maliënkolder tot platenharnas dat het hele lijf en gezicht bedekte, zonder alle bewegingsvrijheid weg te nemen. Ook de paarden werden bepantserd. Al met al een heel gewicht.
Tijdens de latere toernooien werden de ridders van top tot teen beschermd.
Hun harnas was vaak speciaal gemaakt voor de heftige toernooien en woog meestal meer dan de gewone uitrusting voor het slagveld. Een harnas kon wel 40 kilo wegen, en alleen al de helm woog 8 tot 10 kilo.
Ondanks die uitrusting konden ze zich redelijk bewegen. Alle delen ervan waren maatwerk en sloten prachtig aan op het lichaam eronder.
Om de ridder zo goed mogelijk te kunnen beschermen moesten de wapensmeden helmen maken met zo klein mogelijke oogopeningen.
Bij sommige modellen kon je alleen maar naar buiten kijken als je naar beneden keek. Die houding van het hoofd was de beste in de korte tijd dat de ridder op zijn tegenstander af reed.
Ook de paarden werden mettertijd beter beschermd. Hun uitrusting varieerde flink in gewicht, maar met een ridder in volle wapenrusting op zijn rug vormde een paard (zo’n 500 kilo) een oorlogsmachine van minstens 650 kilo achter de lansspies, met een vaart van soms wel 50 km/h.
Daarom raakte het nu in zwang om over de maliënkolder heen ook een harnas van dikke, ijzeren platen te dragen, wat het gewicht van de ridder aanzienlijk verhoogde en zijn bewegingsvrijheid inperkte.
Het extra gewicht was in die zin gunstig dat de aanvalskracht er mee toenam. Maar het paard kon niet zo snel bewegen als anders. De hitte was voor zowel de ridder als het paard bij tijd en wijle niet te harden, als ze urenlang in de blakerende zon bezig waren.
Voor jousting moesten ook de paarden beter beschermd worden. Veel paarden lieten tijdens de toernooien het leven, als een ridder ondanks de middenschutting per ongeluk met zijn lans het paard van de tegenstander raakte.
De Duitse ridder Ulrich von Liechtenstein beschreef in de eerste helft van de 13e eeuw geërgerd hoe een ridder tien keer achtereen miste met zijn lans:
‘Toen we de laatste ronde reden, miste hij opnieuw, maar raakte hij mijn paard in het hoofd.’
Ook de rest van de uitrusting werd nu uitgebreider. De helm kreeg allerlei toeters en bellen om er angstaanjagender uit te zien. In de uitrusting van paard en ruiter werden ook de kleuren verwerkt die de ridder uitgekozen had.
Naarmate de uitrusting ingewikkelder werd, konden minder ridders zich deelname aan een toernooi veroorloven. De sport werd steeds elitairder, alleen de rijkste ridders konden op den duur nog meedoen.
De toernooien trokken ontzaglijk veel bekijks. Vooral adellijke dames maakten er een gewoonte van om te gaan kijken naar de strijd tussen schijnbaar onbevreesde ridders.
Bij één toernooi, in 1331 in Engeland, kwamen zo veel mensen kijken dat de tribune waar de vrouwen verzameld waren onder luid gekraak bezweek onder hun gewicht. De ridders voelden steeds meer vrouwenogen op zich gericht, en daar wilden ze iets mee doen.
Ze kozen een dame uit, vroegen toestemming haar kleuren te mogen voeren in de strijd en ontvingen graag uit haar handen de zegekrans.
Of de ridder haar van nabij of alleen op afstand kende, of een oogje op haar had, was van minder belang: het ging om het gebaar.
De inspiratie voor de hoofsheid van de ridders kwam uit de destijds populaire ridderromans over met name koning Arthur en de ridders van de ronde tafel.
In een toernooi kwam alles samen waar het ridderschap voor stond: moed, strijdvaardigheid, kracht, hoofsheid, en niet in het minst, verheven liefde voor schone jonkvrouwen.
De verkleedpartijen werden steeds gekker. Bronnen uit de 14e eeuw vermelden ridders die gekleed gingen als koning Arthur, sir Galahad of een van de andere beroemde ridders van koning Arthur, terwijl anderen zich als vrouw verkleedden.
In 1343 hield de Engelse ridder Robert Morley een toernooi waarin hijzelf als paus was uitgedost en zijn twaalf beste ridders als kardinalen.
Het anders zo serieuze toernooi begon zo meer op een absurd toneelstuk te lijken dan op de krijgsoefening die het van oorsprong was.
Deze ontwikkeling hing onder meer samen met het tanende belang van ridders en hun lansen op de slagvelden van die tijd.
In de 14e eeuw had het voetvolk van het leger steeds meer technieken ontwikkeld waarmee het de eens onoverwinnelijke ridders kon aftroeven. Dat gebeurde tijdens de Honderdjarige Oorlog in de veldslagen van Crécy en Poitiers tussen de Franse en de Engelse troepen midden 14e eeuw, en vooral bij de Slag bij Azincourt in 1415.
Hier schoten Engelse boogschutters te voet de Franse ridders van hun paard. De toernooien werden daarmee een van de laatst overgebleven plekken waar ridders konden tonen wat ze waard waren.
Naarmate de ridders voor een oorlog steeds minder van belang werden, nam het betekenisloze gebruik van pracht en praal in toernooien toe. Zo werden de sportactiviteiten uiteindelijk een vorm van uitbundig theater.
De riddertoernooien bleven echter mateloos populair tot het midden van de 16e eeuw. Inmiddels hadden bijna alleen de koningen van Europa nog de middelen om ze te organiseren. Doorgaans werd er ook een reusachtig banket aan vastgeknoopt.
Hoewel de harnassen en de overige bescherming steeds doelmatiger werden, bleven de toernooien zeer gevaarlijk. In maart 1524 scheelde het maar een haartje of de hertog van Suffolk had de Engelse koning Hendrik VIII tijdens een toernooi omgebracht, toen zijn lans de helm van de koning trof.
Het vizier klapte omhoog en de helm vulde zich met lanssplinters. Gelukkig bleef de koning vrijwel ongedeerd. Koning Hendrik II van Frankrijk had in 1559 minder geluk toen hij de bruiloft van zijn dochter vierde met een toernooi.
Hij wilde per se nog één ronde vechten. Zijn tegenstander versplinterde zijn lans op het harnas van de koning. Een splinter vloog door het vizier en verwondde de vorst dodelijk.
Na dit ongeluk zou deze ooit zo geliefde extreme sport nooit meer worden wat hij was geweest, en werden toernooien zeldzaam. Slappe aftreksels van de toernooien werden her en der in Europa nog wel gehouden, tot in de 18e eeuw.
In de 19e eeuw trachtten adellijke ridderfans het edele steekspel weer nieuw leven in te blazen, maar tevergeefs. Echte riddertoernooien waren voorgoed verleden tijd.
(verzameld door Marjolijn)